Geen tijd voor tranen
In september verschijnt Geen tijd voor tranen, mijn nieuwe bloedstollende thriller.
Een lach, een traan en een moord of tien.
Lees hier enkele fragmenten
Op het talud snuffelden twee lijkhonden met hun neus in het natte gras.
‘Waarom lijkhonden?’ vroeg Deridder.
‘Lijkhonden ruiken de geur van een mens, tot tien jaar nadat hij onder de grond is gestopt,’ antwoordde de hondenbegeleider. Hij stond aan het hoofd van de discipline ‘menselijke resten’ en was persoonlijk verantwoordelijk voor het welzijn van zijn dieren. ‘Vinden we een lijk, dan haalt het labo er DNA uit—de oervorm van ieder individu—en aan de hand van de schedel hermaken we een gezicht, met plasticine. Als alles meezit, vinden we zelfs vingerafdrukken.’
‘Wie weet… misschien ligt hier meer dan één lijk,’ zei Vindevogel.
‘Een + een = twee. Altijd,’ zeiden Celis en Melis tegelijk, alsof zij een komisch nummer opvoerden—
Zij werkten sedert kort samen met Verswyvel van het technisch labo.
‘Ha, Gaston en Leo,’ zei Sofie Simoens.
‘Bud Abbott en Lou Costello,’ zei Peeters.
‘Dean Martin en Jerry Lewis,’ zei Vindevogel.
‘Stan Laurel en Oliver Hardy,’ zei Verswyvel.
‘Die Stannen, dat zijn nogal mannen!’ lachte Sofie Simoens.
Een fotograaf van het labo was met zijn Polaroid in de weer en een medewerker van de Civiele Bescherming bediende een thermische camera, die temperatuurverschillen onder de aarde meet, tot op een tiende van een graad Celsius. ‘Een dood lichaam straalt eigen warmte uit,’ zei Verswyvel. ‘… als gevolg van het rottingsproces,’ zei de medewerker van de Civiele Bescherming. ‘Met andere woorden…’ ‘… waar de grond het warmst is…’ ‘… ligt een lijk,’ zeiden Celis en Melis in koor.
De grond werd afgeschraapt op zoek naar onregelmatigheden in de bodem en de grijper rukte de kluiten uit de dijk. Met een infraroodcamera doorzocht het komisch duo het zand en de omgewoelde aarde naar menselijke resten. Het kon eenvoudiger, met moderne scantechnieken op basis van magnetische stralen, die zonder graafwerken alles in kaart brengen wat onder de grond zit, maar dat is een onderzoeksmethode die voor de gerechtelijke politie te duur en vooral te ingewikkeld is.
Wij zijn een arm volk, dacht de commissaris. Het mag niks kosten.
‘Wat hopen jullie te vinden, na al die jaren?’ vroeg hij.
‘Liever droge knoken dan een stinkendrot lijk,’ antwoordde Swa Dop.
De aarde gaf de eerste botten van het skelet vrij.
‘Sorry vriend,’ zei Boer Bavo. ‘We gaan even op je hoofd staan.’
‘Gas geven!’ riep Swa Dop ineens.
Jef Banaan duwde het gaspedaal in en rammelde met de joysticks en de digger schudde en kreunde en schokte op zijn vier wielen en steunassen en de hydraulische arm beet een homp vette polderklei uit de kuil. Met een doffe kráááák brak een nicotinebruin doodshoofd van een gaaf skelet.
‘God-jumenas!’ riep Boer Bavo.
‘Ken jij God?’ vroeg Swa Dop.
‘Ja, natuurlijk. Zijn familienaam is Verdoeme.’
‘Pas op! Niet aanraken met de blote hand.’
‘Gevaar voor hepatitis,’ zei Boer Bavo. ‘Zolang er bloed inzit.’
‘Een driemaandenlijk is het allergevaarlijkst voor besmettingen,’ zei Swa Dop.
‘Vroeger was er cholera en de pest,’ zei Celis.
‘Nu hebben we AIDS, kanker, terrorisme en hepatitis,’ zei Melis.
‘Er is weinig veranderd, in vijfhonderd jaar,’ knikte Verswyvel.
Een rat scharrelde tussen de wielen van de digger.
  
www.stanlauryssens.com
info@stanlauryssens.com
Venster sluiten